Awww dit doet pijn, hier moet ik nog lezen.
Wat is de vraag? Zoloft / Efexor. <Klasse.....>
Man dit vind je heus wel als je het echt wil weten, maar enfin hier gaan we.
ZOLOFT Pfizer
Eigenschappen
Specifieke serotonineheropnameremmer (SSRI). Het remt de heropname van serotonine in het neuron. Werking is pas na 1–2 weken merkbaar.
Efexor Wyett
Behoort tot dezelfde groep. SSRI, maar hoort bij de 2de groep.
De rest pluis je zelf maar uit. Beter zoeken volgende keer.
Hier voor de honderduizenste keer de links :
http://www.bcfi.be/ggr/index.cfm?ggrWel ... k/MP_E.cfm
http://www.bcfi.be/.
http://www.minerva-ebm.be/default.htm
http://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_ ... he_stoffen
http://antimedicatie.web-log.nl/antimed ... index.html
http://www.psychiatrie-fraude.nl/
Zeker die laatste is de moeite om te lezen.
Zelfs een knip en plak kan er nog af. Dit is de enige juiste info tot die achterhaald is .
Gecommentarieerd Geneesmiddelenrepertorium Oktober 2007 en français
Tricyclische en aanverwante antidepressiva, en SSRI's
Op basis van structuur en werkingsmechanisme worden deze stoffen veelal ingedeeld in drie groepen. De stoffen van de eerste groep hebben een tricyclische structuur, deze van de tweede groep niet altijd, deze van de derde groep niet. Op enkele uitzonderingen na remmen stoffen van de eerste en tweede groep in variabele mate de heropname van zowel norepinefrine (noradrenaline) als serotonine; reboxetine is echter een zuivere noradrenaline-heropnameremmer. Stoffen van de derde groep zijn de selectieve serotonine-heropnameremmers ("Selective Serotonin Reuptake Inhibitors" of SSRI's). Voor sommige middelen zouden andere mechanismen dan heropnameremming verantwoordelijk kunnen zijn voor het effect.
Plaatsbepaling
* Zeker bij mineure depressie geniet niet-medicamenteuze aanpak de voorkeur.
* Het is niet altijd duidelijk in hoeverre bovenvermelde verschillen in werkingsmechanisme, leiden tot klinisch relevante voor- of nadelen. Bij overdosering lijken tricyclische antidepressiva meer gevaar te geven.
* Het gunstig effect van de antidepressiva wordt ten vroegste na drie à vier weken duidelijk.
* In de eerste lijn is het belangrijk de ernstiger vormen van depressie te onderscheiden van de minder ernstige vormen (bv. inschatten van zelfmoordrisico). Dit heeft immers belangrijke implicaties op de beslissing de patiënt door te verwijzen.
* De beslissing een patiënt met depressie te behandelen in de eerste lijn, betekent niet dat systematisch een antidepressivum dient te worden voorgeschreven, bv. bij mineure of milde depressie.
* Wat de keuze in de eerste lijn betreft, is er geen evidentie dat de doeltreffendheid van de verschillende antidepressiva (tricyclische of aanverwante antidepressiva, SSRI’s) verschilt. De keuze zal vooral bepaald worden door co-morbiditeit, eerdere behandelingen met antidepressiva, contra-indicaties, ongewenste effecten en interacties van de geneesmiddelen, hun kostprijs en de voorkeur van de patiënt [zie Folia maart 2006].
* Bij kinderen en adolescenten is voor geen enkel antidepressivum de doeltreffendheid afdoende bewezen. Studies met bepaalde antidepressiva in deze leeftijdsgroep tonen daarenboven een verhoogd risico van zelfmoordgedachten en automutilatie, en volgens sommigen is een dergelijk risico voor geen enkel antidepressivum uit te sluiten. Recent keurde het Europese Geneesmiddelenagentschap het gebruik van fluoxetine bij kinderen ouder dan 8 jaar en adolescenten ter behandeling van matig ernstige tot ernstige depressie, na falen van psychotherapie, goed [Zie Folia december 2004, maart 2006 en augustus 2006].
* Bij obsessieve compulsieve stoornissen zijn SSRI’s, en in mindere mate bepaalde tricyclische antidepressiva, aangewezen.
* Posttraumatische stress en sociale fobie reageren gunstig op SSRI’s.
* Bij paniekstoornissen en gegeneraliseerde angst hebben zowel tricyclische antidepressiva als SSRI’s hun doeltreffendheid bewezen: ze hebben een plaats bij angststoornissen indien niet-medicamenteuze aanpak onvoldoende blijkt te zijn of geweigerd wordt.
* Bij bedwateren worden nog uitzonderlijk imipramine, amitriptyline en hun derivaten gebruikt, maar enkel na falen van de andere maatregelen [zie Folia mei 2005].
* Bij neuropathische en andere chronische pijnen worden de tricyclische en aanverwante antidepressiva gebruikt, waarbij hun effect vlugger optreedt dan wanneer deze middelen gebruikt worden bij depressie [zie Folia april 2006].
* Bij ernstig premenstrueel syndroom hebben de SSRI’s een gunstig effect [zie Folia september 2003].
Belangrijkste ongewenste effecten
* Ongewenste effecten optredend met de drie groepen
o Gewichtstoename.
o Frequent seksuele stoornissen (ejaculatie- en erectiestoornissen, problemen met libido en orgasme); trazodon kan priapisme veroorzaken.
o Verlaging van de convulsiedrempel, met risico van uitlokken van een epileptische crisis, vooral bij hoge dosis, bij antecedenten van epilepsie en bij gebruik van andere middelen die de convulsiedrempel verlagen.
o Beven en overmatig zweten.
o Hepatotoxiciteit.
o Bij kinderen is er evidentie dat bepaalde SSRI’s (bv. paroxetine) en andere antidepressiva (bv. venlafaxine) het risico van zelfmoordgedachten verhogen, maar een dergelijk risico kan voor geen enkel antidepressivum (SSRI, tricyclisch antidepressivum of ander) uitgesloten worden (zie rubriek "Plaatsbepaling”).
o Er is enige evidentie dat SSRI’s bij volwassenen met depressie het risico van zelfmoordpogingen verhogen, en een dergelijk risico is waarschijnlijk voor geen enkel antidepressivum uit te sluiten.
o Dervingsverschijnselen na plots stoppen van de behandeling (bv. beven, vertigo, nausea, diarree), meer frequent met de stoffen met korte halfwaardetijd (bv. paroxetine).
o Mogelijk uitlokken van manie bij patiënten met bipolaire stoornis.
* Ongewenste effecten met de eerste en de tweede groep
o Eerste groep: orthostatische hypotensie en cardiale geleidingsstoornissen (kinidine-achtig effect), vooral bij bejaarden, bij voorafbestaande cardiovasculaire pathologie en bij hoge doses. Bij overdosering kunnen ritmestoornissen, met mogelijk fatale afloop, optreden.
o Eerste groep en sommige stoffen van de tweede groep: anticholinerge eigenschappen. Dit kan problemen geven bij patiënten met prostaathypertrofie of met gesloten-hoekglaucoom, of bij gelijktijdige behandeling met andere geneesmiddelen met anticholinerge werking.
o Met amitriptyline, doxepine, maprotiline, mianserine en trazodon: sedatie. Dit sedatief effect is interessant bij depressie met angst; de hoogste dosis of de enige dagdosis zal bij voorkeur ‘s avonds worden ingenomen. Andere stoffen zijn weinig of niet sedatief, of zelfs licht activerend (desipramine, nortriptyline); ze veroorzaken soms angst, agitatie en slapeloosheid.
o Met trazodon: risico van priapisme.
o Vooral met mianserine (mogelijk ook met het verwante mirtazapine): risico van agranulocytose.
* Ongewenste effecten met de SSRI’s
o Frequente gastro-intestinale ongewenste effecten (nausea, diarree...).
o Frequente centrale ongewenste effecten (hoofdpijn, duizeligheid, agitatie, slapeloosheid...).
o Serotoninesyndroom bij patiënten behandeld met hoge doses van een SSRI, vooral in associatie met andere serotoninerge geneesmiddelen (zie rubriek "Interacties”). Dit syndroom wordt gekenmerkt door o.a. hyperthermie, agitatie, myoclonieën en, meer zeldzaam, convulsies en ventriculaire aritmie, met soms fatale afloop.
o Extrapiramidale verschijnselen.
o Bloedingen, bv. ter hoogte van maag-darmstelsel, huid of mucosa [zie Folia april 2005].
o Hyponatriëmie, vooral bij bejaarden.
Zwangerschap
* Zie Folia mei 2006.
* Een teratogeen effect van antidepressiva kan niet uitgesloten worden. Voor paroxetine is ongerustheid ontstaan in verband met mogelijke majeure cardiale afwijkingen.
* Anticholinerge effecten bij de pasgeborene (excitatie, zuigstoornissen en, minder frequent, hartritmestoornissen, stoornissen van de intestinale motiliteit en urineretentie) bij gebruik van tricyclische antidepressiva kort vóór de bevalling.
* Moeilijkheden bij het pasgeboren kind, bv. ademhalingsproblemen, problemen bij het voeden, convulsies, constant huilen, spierrigiditeit bij gebruik van SSRI’s en andere antidepressiva (bv. venlafaxine, mirtazapine) kort vóór de bevalling; met SSRI’s werd bestaan van pulmonale hypertensie bij de neonatus gesuggereerd.
Belangrijkste interacties
* Interacties voor de eerste en tweede groep
o Met antihypertensiva met centrale werking: de meeste antidepressiva van de eerste en de tweede groep verminderen hun effect.
o Met sympathicomimetica, bijvoorbeeld gebruikt als decongestiva: de meeste antidepressiva van de eerste en de tweede groep versterken het effect ervan.
o Met MAO-inhibitoren (vooral de niet-selectieve): associatie kan ernstige ongewenste effecten zoals hypertensieve en hyperpyretische crises veroorzaken, die fataal kunnen zijn.
o Met SSRI’s, triptanen en andere stoffen met serotoninerge werking: sommige antidepressiva van de eerste en de tweede groep (bv. clomipramine, desipramine, duloxetine, imipramine, trazodon, venlafaxine ...) kunnen een serotoninesyndroom helpen uitlokken.
* Interacties voor SSRI’s
o Met MAO-inhibitoren of andere stoffen met serotoninerge werking zoals sommige antidepressiva van de eerste en de tweede groep (bv. clomipramine, desipramine, duloxetine, imipramine, trazodon, venlafaxine ...), buspiron, dextromethorfan, de ergotaminederivaten, linezolide, lithium, bepaalde narcotische analgetica (bv. pethidine, tramadol), bepaalde antipsychotica, sibutramine, de triptanen, Sint-Janskruid: optreden van serotoninesyndroom. Indien dergelijke associaties noodzakelijk zijn, moet de behandeling progressief worden ingesteld en regelmatig worden gecontroleerd.
o Met geneesmiddelen gemetaboliseerd door bepaalde cytochroom P450-iso-enzymen in de lever: de SSRI's verschillen onderling in hun effect op de CYP-iso-enzymen (zie ook tabel in Inleiding), en de klinische relevantie van bepaalde interacties is niet duidelijk.
+ Fluoxetine: inhibitor van CYP2D6, van CYP2C19 en, in lichte mate, van CYP3A4.
+ Fluvoxamine: potente inhibitor van CYP1A2 en, in mindere mate, van CYP2C9 en CYP3A4.
+ Paroxetine: inhibitor van CYP2D6.
+ Citalopram, escitalopram en sertraline inhiberen de CYP-iso-enzymen niet noemenswaardig.
o Met geneesmiddelen die de stolling tegengaan: verhoogd risico van bloeding.
o Met antipsychotica: verergering van de extrapiramidale ongewenste effecten.
o Met NSAID’s: verhoogd risico van gastro-intestinale bloedingen.
Belangrijkste voorzorgen
* Bij overschakelen van een SSRI naar een ander antidepressivum, vooral een MAO-remmer, kan de lange halfwaardetijd van sommige SSRI’s problemen stellen; dit is vooral belangrijk voor fluoxetine wiens actieve metaboliet (norfluoxetine) een halfwaardetijd heeft van meer dan 7 dagen. Afhankelijk van de halfwaardetijd is daarom best een geneesmiddelenvrij interval van 1 à 2 weken (voor fluoxetine 5 weken) te voorzien.
* Bij gebruik van mianserine en mirtazapine dient bij optreden van koorts, keelpijn enz. gedacht te worden aan de mogelijkheid van agranulocytose.
Posologie
* De posologie moet individueel bepaald worden, o.a. gezien de snelheid van biotransformatie duidelijk verschilt van persoon tot persoon: er wordt aanbevolen te starten met een lage dosis en deze, zo nodig, geleidelijk op te drijven. De doses die hieronder worden gegeven, worden gewoonlijk niet overschreden.
* Over de optimale manier van toediening van de dagdosis, één enkele gift ‘s avonds of gespreid over de dag, bestaat praktisch geen evidentie. Toediening ‘s avonds wordt dikwijls verkozen om een hinderlijk sedatief effect overdag te vermijden. Hieronder worden bij de producten de posologie-instructies van de bijsluiters daaromtrent gevolgd.
* Stoppen van de behandeling gebeurt best geleidelijk, gezien voor een aantal middelen dervingsverschijnselen werden beschreven.
* Na het verdwijnen van de depressieve symptomen wordt de behandeling bij een eerste opstoot minstens 6 maand voortgezet. Bij ernstige recidiverende depressie wordt soms een jarenlange onderhoudsbehandeling gegeven.
* Met parenterale toediening treedt het therapeutisch effect niet sneller op.