Daar, op de rand van de stoep, staar ik even voor me uit. Om me heen, de mensen die kris kras door elkaar heen lopen, alsof hun hele afgelegde weg van te voren is ingevoerd en ze gehoorzamen in daar waar ze verteld zijn te gaan. Ik ben bang ontdekt te worden voor het saboteren van deze eeuwige facade. In elk tweetal ogen zou een klokkenluider kunnen zitten met alle gevolgen van dien.
De posters met attractieve kleurrijke afbeeldingen die ik ken als enthousiast prikkelend, zien er nu opeens heel grijs uit, ze hebben krachten waardoor ze mensen een angel in hun huid kunnen zetten van afstand. Deze angel verdwijnt als mensen het pand met blinkende ramen binnengaan.
Terwijl ik ter mentale houvast de rits van m'n jas toch nog even hoger dichtdoe, steek ik poedelnaakt over straat. Het is even wennen, met je hele hebben en houden publiekelijk de winkelstraat aanschouwen die je al 22 jaar kende. Al het stadsgeluid, nu slechts een driehoekige berg vol twijfelende stemmen, en de voetstapen winkels in en uit, nu klinkend als ijzere enkel banden.
Elk intiem geheim staat op me lijf en gezicht geschreven, elke aanblik met een tweetal ogen is een kaatsing waarin ik de persoons reacties oppik die ze in de meest uiteenlopende situaties zouden hanteren ter reactie. Sommige identiteiten krabbelen zich terug, anderen verzetten zich scherp of weten er zelf geen raad mee. Alles in luttele seconden van oogcontact.
Ik moet oppassen niet alles tot in z'n vertakkingen door te willen denken.
Ik adem diep en zit even op een bankje, dit is gevaarlijk, denk ik bijna hardop. Niets doen en kijken midden op een stadsbankje maakt mogelijk van elk gedaante een potentiele terminator. Ik probeer te kalmeren met de gedachte dat de andere gedaantes zien wat ze zien en meer niet.
Even walmt er een frietlucht langs, ik kijkt schuin van me en zie hoe een vader z'n jonge kind een ijsje in de handen schuift met een witte laag ijs erop met spikkels. Terwijl de man zelf druk voor de hapkar staat en voor zichzelf een keuze maakt loopt het kind energiek om vader heen. "Hier blijven Bart" roept de vader.
Het kindje wil niet zozeer weg, maar is ogenschijnlijk gefascineerd door wat hem in de handen is gedrukt. De glimlach door de betoverende verschijning van het ijsje geeft de aanleiding tot beweging. Het kindje leeft, is zich bewust van lucht en verbeelding. Het wordt vergeten wanneer vader hem aan de hand pakt en begeleid over straat, het kindje protesteert niet maar gaat zonder glimlach mee en begint het ijsje op te eten.
Het is moelijk, je_ zelf navigeren in plaats van jezelf, op de weg terug kom ik nog wat wielrenners en hardlopers tegen. Zij lijken net als ik op deze dag ergens van ontdaan te zijn. Zonder twijfel arriveer ik thuis, het was een lastige antropologische schooldag maar ik wordt er weer aan herrinert dat ik geen zware rugtas van m'n lichaam hoef te laten glijden. Dat, is waar ik het voor deed.