Begin jaren zeventig. Westelijk van Amsterdam lag een dorp, midden in een
gebied dat wordt aangemerkt als toekomstig uitbreidingsgebied voor de
Amsterdamse haven. Het moest een tweede Botlek worden, zegt Ruigoorder
Rudolph Stokvis. Boerenbedrijven werden opgekocht, in Ruigoord moest
worden ontruimd, het omliggende land werd opgespoten met zand ter
voorbereiding van de aanleg van meer industrieterreinen, van kades voor
nieuwe havens.
Stokvis: "Toen wij er kwamen en vielen voor de charme van de plek, waren
al huizen dichtgetimmerd. Maar midden in het dorp stond die kerk, het huis
van de bovenmeester ernaast. Juist aan die kerk ontleenden wij de visie
dat het misschien allemaal zo'n vaartniet zou lopen."
Zo nam een groep kunstenaars en schrijvers in Ruigoord zijn intrek.
Stokvis, toen begin veertig, was net uit het buitenland teruggekeerd en
stichtte in Ruigoord zijn gezin. Met onder anderen schrijver Gerben
Hellinga en dichter Hans Plomp behoort hij tot wat we nu de stichters van
Ruigoord kunnen noemen. Er werd gekraakt, kapotgezaagde vloeren werden
hersteld, ateliers werden geopend. Anarchistisch, zo men wil, kunstzinnig,
hippie-achtig.
Alles moest kunnen, iedereen was welkom - mits hij of zij maar meehielp.
De kerk werd een centrum van cultuur, de vlakte basis voor
vliegerfestivals, het Amsterdams Ballon Gezelschap werd opgericht en
temidden van dat alles groeiden de kinderen er op zonder vermanende
woorden, zonder dreiging van verkeer.
De toen nog jonge burgemeester Frank IJsselmuiden, net benoemd in de
aangrenzende gemeente Haarlemmerliede, die eveneens werd bedreigd door de
Amsterdamse uitbreidingsplannen, ontdekte dat het opspuiten van de vlakte
daar aan de rand van Amsterdam was geschied zonder vergunning.
En hij kwam in actie.
Stokvis: "Vervolgens is het bouwproces stopgezet. In diezelfde periode,
1973-1974, brak de oliecrisis uit, de economie raakte in een dip en zo
heeft de boel hier twintig jaar stilgelegen. Dus iedereen dacht: dit is
voor de eeuwigheid."
Op de opgespoten vlakte ging weer van alles groeien, en binnen de kortste
keren lag Ruigoord, eerst zo kaalgeslagen, er weer lommerrijk en vredig
bij.
Een vrede die tot begin jaren negentig duurde. Toen de economie weer
opbloeide, werden de plannen uit de kast gehaald. De Amerikahaven en de
Afrikahaven moesten worden gegraven, terreinen uitgebreid.
Ruigoord moest ook plat.
Maar de kunstenaarskolonie, met de kerk als cultureel centrum, met
festivals (het eerste Landjuweel werd in 1985 gehouden) op de vlakte, was
intussen als 'rafelrand' van de stad zo bijzonder geworden, dat men begon
te spreken over cultureel erfgoed. Dit was een ontmoetingsplek geworden
voor, zoals Stokvis zegt, 'zielsverwanten', mensen met een alternatieve
levenswijze, met interesse in theater, muziek en kunst.
Oude hippies, jonge hippies, mensen in met natuurlijke pigmenten geverfde
kleren, met rastaharen en rugzakken, natuurminnend, energiezuinig, bereid
mee te bouwen aan wigwams en kunstwerken van sloophout, bereid drie dagen
te kamperen zonder een douche in de buurt, met een kuil om te plassen en
te poepen.
Zo was Ruigoord inmiddels wereldberoemd in Nederland en dat moest worden
behouden. Stokvis: "Want dat alternatieve van vroeger, bestaat hier voort.
Die spirit is er nog steeds."
Dus de groene enclave werd inzet van acties. De ME is er nog wel eens aan
te pas gekomen. Stokvis: "Uiteindelijk was het toch: oke, geef die jongens
een kans."
Met het Havenbedrijf is toen een plan gemaakt om Ruigoord te behouden.
Onder voorwaarden. Het groen mocht blijven, de kerk mocht blijven, maar
wonen mocht niet meer. Stokvis: "Want bewoners kunnen procedures
aanspannen." De huizen werden ateliers, het dorp kreeg een plek in het
bestemmingsplan als cultureel bedrijventerrein. Ruigoord was daarmee sinds
de millenniumwisseling weer officieel.
Maar dat had zijn prijs. Ruigoord is nu zo officieel dat in de
anarchistische kolonie van weleer niets meer gebeurt wat niet op papier is
geregeld. Stokvis zal het niet zo verwoorden, maar de overwinning
'achtervolgt' hen nu dagelijks. Ruigoord is nu een organisatie, met
stichtingsbesturen, onderhevig aan regelgeving. Stokvis: "En er komt
steeds meer bij kijken."
Ze hebben nu een kantoor, ze krijgen subsidie. Stokvis: "Om subsidie te
krijgen, moet je beleid maken, en jaarverslagen schrijven. Nou, dat konden
wij allemaal niet, dus nu hebben we ook een zakelijk leider. Bier verkopen
vergt een vergunning, een festival houden vergt vergunning. Om een
vergunning te krijgen, moet je toiletten plaatsen, moet je gecertificeerde
beveiliging inhuren. Dan heb je opeens een begroting waarop de post
beveiliging hoger is dan de post muziek!"
De Landjuweeleditie van dit jaar is de tweede die zo officieel en volgens
de regels is georganiseerd. Bezoekers kunnen straks dus netjes wassen en
plassen. Maar op sites wordt gemopperd over de toegangsprijs: 45 euro voor
drie dagen.
Dus voor Stokvis, die alle varianten van de Ruigoordfestivals heeft
meegemaakt, is het dezer dagen ook wel eens slikken. Eigenlijk, zegt hij,
is hij razend. "Vroeger waren de festivals gratis. Het maakte niet uit of
er tweeduizend mensen kwamen, of drieduizend. Iedereen die kwam, hielp
mee. We kochten bier, en dat verkochten we weer. We hadden geen kosten,
laat staan overheadkosten, dus ook geen verliezen. Er was helemaal geen
begroting."
Dat papierwerk, die begrotingen, vergunningen en veiligheidseisen storen
hem meer dan die kolenbergen die sinds januari de horizon vormen. "Want
het is verder weg dan aanvankelijk nog de bedoeling was." De kranen van de
Ceresterminal kunnen hem zelfs bekoren: "Zeker 's avonds, prachtig
gezicht."